Gemeenten

Decentralisatie is een van de sleutelwoorden in het huidige overheidsbeleid in de ouderenzorg. Door functies uit de AWBZ over te hevelen naar de Wmo, komt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij gemeenten te liggen. Dat betekent een forse toename van de druk op het gemeentelijk budget en de gemeentelijke organisatie.

Ontlasting van de Wmo
Het Max-Huis kan voor gemeenten een aanzienlijke kostenbesparing opleveren, oplopend tot € 12.000,- per bewoner. Het concept zorgt namelijk voor een ontlasting van de Wmo, doordat bewoners zelf de zorg inkopen, er geen hulp bij het huishouden nodig is, er minder aanpassingen in woningen nodig zijn en doordat mantelzorg er niet langer noodzakelijk is.

Zelf zorg inkopen uit pgb
Bewoners van een Max-Huis kopen zelf zorg in uit een persoonsgebonden budget (pgb). De financiering van dat pgb wordt per 2015 overgeheveld naar de Wmo. De vergoeding in de vorm van een pgb voor een zorgzwaartepakket (zzp) in een wooninitiatief als het Max-Huis, is lager dan de vergoeding in natura van een Volledig Pakket Thuis (vpt) voor hetzelfde zzp.

Goedkoper en transparanter
Dat betekent dus dat er minder aanspraak op de Wmo wordt gemaakt wanneer ouderen in een wooninitiatief als het Max-Huis wonen, dan wanneer zij thuis blijven wonen. Het is kortom goedkoper. In een Max-Huis wordt gemeenschapsgeld dus op een transparantere en meer verantwoorde manier aangewend.

Geen hulp bij het huishouden nodig
Het Max-Huis voorziet standaard zelf in hulp bij het huishouden. Voor de bekostiging daarvan betalen de bewoners servicekosten. Bewoners van een Max-Huis hoeven derhalve geen beroep op de Wmo te doen voor hulp bij het huishouden.

Minder aanvragen voor aanpassingen in huis
Bovendien komen er door Max-Huisprojecten minder individuele aanvragen voor aanpassingen in huis, omdat binnen deze projecten voorzieningen zoals een traplift of een verhoogd toilet voor meerdere personen tegelijk worden geregeld.
 
Mantelzorg of vrijwilligers niet noodzakelijk
Omdat in een Max-Huis zorg op maat wordt ingekocht, is aanvullende zorg van mantelzorgers of vrijwilligers niet noodzakelijk. Familie en vrienden kunnen natuurlijk een handje helpen als ze dat willen, maar ze kunnen ook weer gewoon voor de gezelligheid op bezoek komen. En gemeenten maken zo dus minder kosten voor de ondersteuning van mantelzorgers, waartoe zij op grond van de Wmo verplicht zijn.

Aansluiting bij overheidsbeleid
Het overheidsbeleid voor de zorg is gericht op kleinschalig wonen in de wijk met zorg op maat voor cliënten. Participatie en zelfredzaamheid zijn de speerpunten. Wijknetwerken en wijkteams gaan hieraan invulling geven. Door de realisatie van Max-Huisprojecten krijgen gemeenten extra steunpunten in de wijk. Dit sluit goed aan bij de beleidsplannen rond ‘Wijknetwerken’, ‘Diensten voor diensten’ en ‘De wijk helpt de wijk’.

Dienstverlenende functie in de wijk
Op termijn zouden Max-Huizen nadrukkelijker een dienstverlenende functie in de wijk kunnen krijgen. Zo zou men zich kunnen voorstellen dat een eenzame wijkgenoot in het Max-Huis een kopje koffie komt drinken, een maaltijd kan afhalen of tegen een kleine vergoeding met het vervoer mee kan naar de gezamenlijke activiteit of de dagbesteding.

Herbestemming leegstaand gemeentelijk vastgoed
Het Max-Huis maakt ook duurzame herbestemming mogelijk van leegstaand gemeentelijk vastgoed. Het betreft vaak cultureel erfgoed, zoals kerken of kloosters, dat voor toekomstige generaties verloren dreigt te gaan. Veel van dit vastgoed zou met een aantal eenvoudige aanpassingen geschikt te maken zijn voor de vestiging van een Max-Huis.

Doorstroming op (sociale) woningmarkt
De overheid voert scheiding door van wonen en zorg; de zorg wordt niet meer in instellingen, maar thuis geboden. Daardoor verhuizen steeds minder ouderen naar een verzorgingshuis en komen er dus minder woningen beschikbaar op de woningmarkt. Dankzij Max-Huisprojecten krijgen ouderen weer de keuze om te verhuizen naar een meer beschutte omgeving. De doorstroming in de (sociale) woningbouw wordt daardoor bevorderd.